Samen actief en inspirerend voor alle senioren

Ons Pensioen

Een serie artikelen van de hand van onze voorzitter Jan Lindenhof

Hieronder zullen wij aandacht schenken aan de laatste ontwikkelingen op pensioengebied. Wat gaat het voor uw inkomen betekenen?
Om te beginnen: hoe werkt ons huidige pensioenstelsel?
Het pensioenstelsel bestaat uit 3 “pijlers”.
Pijler 1 = AOW, Pijler 2 = collectief pensioen, Pijler 3 = individueel pensioen.
Pijler 1
De AOW ontvangt iedereen zodra hij of zij de AOW-leeftijd heeft bereikt. Dit is momenteel 66 jaar en 4 maanden. Alle werkenden betalen hiervoor via de loonheffing premie om de AOW-uitkeringen te kunnen betalen aan degenen die de AOW-leeftijd al hebben bereikt. Zoiets noemen ze een “omslagstelsel”. Voorwaarde om 100% AOW te ontvangen is, dat je minstens 50 jaar voor de aanvang van de AOW-leeftijd in Nederland gewoond moet hebben. Ook al heb je nooit gewerkt, dan nog heb je recht op AOW. Als je in die periode van 50 jaar niet in Nederland hebt gewoond, dan wordt de uit-kering met 2% verminderd voor ieder jaar dat je in het buitenland verbleef.
Pijler 2
Het collectieve pensioen wordt opgebouwd via de werkgever en is meestal verplicht. Momenteel bouwt zo’n 90% van alle werkenden een aanvullend pensioen op. Het is een aanvulling op de AOW en de hoogte van de uitkering is afhankelijk hoeveel premie er is betaald. De premie wordt meestal voor 2/3 door de werkgever betaald en 1/3 door de werknemer.
Pijler 3
Het individueel pensioen is een soort extra verzekering om het pensioen aan te vullen en is vrijwillig.
Zelfstandige ondernemers/zzp’ers en werknemers die geen of weinig collectief pensioen hebben, kunnen b.v. door middel van lijfrenten, koopsommen en verzekeringen fiscaal aantrekkelijk sparen voor hun eigen pensioen.

(lees verder onder de foto)

Gaat het niet goed met ons pensioen?

Over ons aanvullend pensioen (naast de AOW)  circuleren de laatste tijd nogal wat paniekverhalen. De centrale vraag is of dit pensioen straks nog wel betaald kan worden. Hierbij zie je vooral termen als “indexering”, “dekkingsgraad”, “rendement” en “rekenrente” voorbij komen. Ik zal proberen wat helderheid te scheppen.

Stel dat je 100 euro gespaard hebt. Wat zou het dan waard zijn over 30 jaar? Als je het onder je matras stopt, dan is dat over 30 jaar nog maar 45 à 50 euro waard door de inflatie. Op een spaarrekening zetten, schiet ook niet op, omdat de rente heel laag is (meestal niet meer dan 0.01% à 0,5%) en de inflatie (2 à 3%) een stuk hoger is.

Nu breng je diezelfde 100 euro niet naar de bank, maar stop je het in een aanvullend pensioen. Wanneer het pensioenfonds hierover gemiddeld 2% rente per jaar zou vangen, dan is die 100 euro na 30 jaar aangegroeid tot 180 euro. Je hebt dus een “rendement” behaald van 80 euro. De vraag is of die 180 euro voldoende is om nog hetzelfde te kunnen kopen als nu het geval is voor 100 euro. Volgens allerlei deskundigen is dat niet het geval. Die 100 euro moet tegen die tijd minstens 200 euro zijn en dus kom je 20 euro te kort op je “dekkingsgraad”.

Nou behalen de meeste pensioenfondsen geen 2% rente op het geld wat de deelnemers inbrengen, maar is het gemiddelde “rendement” al meer dan 25 jaar tussen de 6% en 7%. Niet door te sparen, maar door dat geld te beleggen. Zelfs de beurscrisis in 2008 heeft daar nauwelijks effect op gehad, omdat de jaren erna het rendement soms wel boven de 10% uitsteeg. Beleggingsdeskundigen zeggen dat er geen aanwijzingen zijn, dat het gemiddelde rendement in de toekomst veel zal afwijken van de resultaten uit het verleden.

Laten we nou eens voorzichtig inschatten dat de hierboven genoemde 100 euro geen 2%, maar gemiddeld 4% rendement per jaar opleveren. Dan heb je na 30 jaar geen 180 euro, maar 324 euro. Dat is 124 euro meer (324 – 200 euro) dan je nodig hebt als je met pensioen gaat. Oftewel een dekkingsgraad van meer dan 160% en ruim voldoende om een tijdelijke crisis op te vangen.

wordt vervolgd …